DE PADDENPOEL IN HET KADER VAN NATUURLIJK TUINIEREN


1. Op weg naar het Nationaal Keurmerk Natuurlijk Tuinieren

In 1997 is contact gezocht met de landelijke organisatie AVVN. Deze geeft de volgende suggesties om tot Natuurlijk Tuinieren op HET ZONNEVELD te komen.
Zet samen met enkele mensen die bij het natuurlijk tuinieren betrokken zijn, voor uw complex een plan op waarin u aangeeft:
1. Wat zijn naar uw mening waardevolle grondonderdelen, die onaangetast moeten blijven.
2. Welke groenonderdelen kunnen worden aangepast en welke mogelijkheden bieden deze dan in het kader van natuurlijk tuinieren.
3. Op welke dieren zouden deze aanpassingen zich moeten richten.
Geef bij voorkeur op een tekening aan waar de door u genoemde groenonderdelen zich op uw complex bevinden. De advies- en begeleidingscommissie van het AVVN bereidt zich graag voorafgaand aan een bezoek zo optimaal mogelijk voor, zodat tijdens het bezoek zeer gericht naar de belangrijke onderdelen kan worden gekeken.
Op 27 juni 1997 vindt het eerste bezoek van de advies- en begeleidingscommissie plaats. In deze commissie zitten: Arco Goedkoop (DLV team Groen), Geert van Poelgeest (KNNV) en Marion Weijzen (De Kleine Aarde). Begin 1998 brengt de commissie zijn rapport uit. Daarin wordt aandacht besteed aan de inventarisatie van de gegevens van het complex, de potenties van het complex, de adviezen met betrekking tot beheer en onderhoud algemeen én specifiek, de winkel (of eigenlijk het ontbreken daarvan), de voorlichting, doe- en theoriebegeleiding als nestgelegenheid voor vogels/vleermuizen/insecten, teeltplan en bemesting, ecologische bestrijding van ziekten en plagen én het bouwen van een stapelmuurtje en takkenril.
In deze rapportage wordt ook veel nadruk gelegd op de driehoek naast de sloot op het complex. Dit gebiedje bezit grote ecologische potenties. Het advies luidt dan ook: Haal, indien mogelijk, de driehoek naast de sloot uit de individuele verhuur, om hier een mooi stukje verlandingsvegetatie en een paddenpoel aan te leggen. Hier zou begonnen kunnen worden met het verlagen of verwijderen van de beschoeiing. Voor verdere suggesties wordt verwezen naar het Handboek Natuurlijk Tuinieren van het AVVN.

Natuurvijver met uitgebreide natuurwaarden Natuurlijke beschoeiing van wilgentenen

2. HET ZONNEVELD oriënteert zich op de aanleg van een poel voor amfibieën
2.1. Algemeen
Poelen zijn niet alleen belangrijk als voortplantingswater voor amfibieën. Poelen brengen variatie in een terrein. Meer variatie betekent altijd meer planten- en diersoorten. Poelen kunnen dienen als groeiplaats voor water- en moerasplanten, als leefgebied voor insecten en andere ongewervelden, als drinkplaats voor vogels en zoogdieren. Niet alleen de poel zelf maar ook het talud boven de waterlijn kan geschikt zijn voor bepaalde organismen.
2.2. Biotopen
Geschikte voortplantingswateren voor amfibieën zijn:
→ stilstaand of zwakstromend water
→ niet te sterk beschaduw i.v.m. voldoende zoninstraling
→ ondiep zodat ze snel kunnen worden opgewarmd door de zon
→ zo diep dat er in de zomer voldoende water is voor de ontwikkeling van de larven
→ rijk aan algen en plankton d.w.z. voldoende voedingsstoffen en voldoende lichtinval
→ voorzien van voldoende watervegetatie i.v.m. de ei-afzet en schuilmogelijkheden
→ rustig gelegen
→ voorzien van geleidelijk aflopende oevers
→ niet te zuur (pH > 4/6)
→ niet bevolkt door grote vissoorten
Geschikte
landbiotopen voor amfibieën zijn:
→ voorzien van een soortenrijke vegetatie, waardoor de aanwezigheid van voldoende insecten (=voedsel) gewaarborgd is
→ met voldoende structuurvariatie (schuilmogelijkheden zoals hagen, houtwallen, boomgroepen etc.
Geschikte
winterbiotopen voor amfibieën zijn:
→ Voorzien van dood hout en/of plantenresten
→ Ongestoord gedurende de winterslaapperiode

2.3. Aanleg
Bij het aanleggen van poelen voor amfibieën zal met de volgende aandachtspunten rekening gehouden moeten worden.
Wanneer?
Het aanleggen van poelen kan in principe in elke periode van het jaar. In terreinen met een hoge waterstand (drassige bodem) vormt het werken met een graafmachine vaak een probleem. Men kan de werkzaamheden dan het beste uitvoeren in een droge periode of in een vorstperiode. In de periode juni/juli/augustus kan schade worden toegebracht aan flora en fauna. Een vorstperiode is wat dat betreft minder gevoelig.
Waar?
Voor het aanleggen van poelen kan men over het algemeen het beste uitgaan van een laag gelegen deel van het terrein.
Men dient rekening te houden met voldoende instraling door de zon (minimaal 50% van de dag).
Poelen worden bij voorkeur op voldoende afstand (minimaal 10-20 meter) van hoogopgaande begroeiing aangelegd. Invallend blad kan een zeer snelle verlanding veroorzaken wat noodzaakt tot veelvuldig opschonen. Elke opschoning is een verstoring voor het leven in de poel.
Poelen dienen binnen een afstand van maximaal enkele honderden meters vanaf een terreingedeelte met structuurrijke vegetatie te liggen zoals heide, ruigte kruidenvegetaties, soortenrijk hooiland, loofbos, hagen, struikgewas of moeras. De meeste amfibieën leven buiten de paartijd in dergelijke vegetatiestructuren. Er mogen geen onoverkomelijke obstakels zoals drukke wegen of brede watergangen tussen de poel en de vegetatie liggen.

Poelen worden bij voorkeur zodanig aangelegd dat vervuild water de poel niet kan instromen. Afstroming van landbouwgronden of overstroming door vervuilde beken kunnen een bedreiging vormen voor de waterkwaliteit in de poel.
Bij het aanleggen van poelen kan men beter niet kiezen voor plaatsen met een bijzondere vegetatie of andere natuurwaarde.
Hoe diep?
In vlakke terreinen dienen poelen tot op 0,5 á 1,0 meter beneden de laagste grondwaterstand te worden uitgegraven (eventueel opvragen bij waterschap, hoogheemraadschap, polderdistrict, landinrichtingsdienst of publieke werken). In sterk glooiende terreinen kan men de poel afdichten met plastic, leem of klei. Afstromend regenwater zal voor voldoende water in de poel moeten zorgen. Een diepte van 1 á 1,5 meter zal dan voldoende zijn om droge perioden te kunnen doorstaan zonder droog te vallen. Plastic heeft in dit geval zeker niet de voorkeur, omdat het niet milieuvriendelijk en aan slijtage onderhevig is.
Hoe groot?
De afmetingen van een te graven poel worden door verschillende factoren bepaald. Bij het graven kan men het beste uitgaan van een wateroppervlakte met een doorsnede van 20-30 meter.
Te kleine poelen (minder dan 10 meter doorsnede) vragen vanwege snelle verlanding regelmatig onderhoud, Onderhoud is in principe verstoring en niet bevorderlijk voor de planten en dieren in de poel. Anderzijds raakt bij achterstallig onderhoud een kleine poel snel ongeschikt voor amfibieën.
Te grote, diepe poelen (meer dan 1 meter beneden de laagste grondwaterstand) worden op den duur door vissen bevolkt. Een goed ontwikkeld vissenbestand maakt een water voor de meeste amfibieën ongeschikt. Zelfs stekelbaarzen kunnen al een enorme slachting aanrichten onder amfibielarven. Grote ondiepe poelen vormen echter geen probleem. Als een poel in extreem droge jaren droog valt, zal er nooit een krachtige visfauna tot ontwikkeling kunnen komen.
Welke vorm?
Het talud (hellingshoek) van een poel is bij voorkeur 1 : 3 (ongeveer 20 graden) of minder. Bij ruimtegebrek of lage grondwaterstanden mag het talud aan de zuidzijde maximaal 1 : 1 (ongeveer 45 graden) zijn en aan de noordzijde maximaal 1 : 2 (ongeveer 25 graden). De poel zal dan echter niet voor alle soorten geschikt zijn. Warmteminnende soorten treft men alleen aan in ondiepe poelen met een flauw talud. De noordelijke oever wordt door de zon beschenen en is daarom het belangrijkst.
In bepaalde gevallen kan men de uitgekomen specie rondom de poel verwerken. Dit bespaart transportkosten. Door de specie vooral op de noordelijke oever te verwerken ontstaat een zonnige wal, die geschikt is voor warmteminnende soorten. Op de zuidelijke oever bestaat dan een geleidelijk verloop naar het maaiveld, waar dan zonodig een drinkplaats kan worden gecreëerd.

Natuurpoel De oever ziet zwart van de kleine padden


2.4. Onderhoud
Bij het onderhoud van poelen dient men rekening te houden met de volgende punten.
Wanneer?
Werkzaamheden aan bestaande poelen (waarin amfibieën en/of hun larven aanwezig kunnen zijn) worden bij voorkeur in de laatste helft van september of de eerste helft van oktober uitgevoerd. Er zijn dan nauwelijks amfibieën in het water aanwezig.
Hoe vaak?
Bij het onderhoud van poelen kan men uitgaan van ongeveer 50% open water. Indien de vegetatie een groter deel van de poel bedekt, is onderhoud (opschoning) gewenst.
Hoe?
Tot het onderhoud van poelen behoort ook het verwijderen van de bezinksellaag (modder). Dit is nodig wanneer de diepte van de poel door deze laag zodanig is afgenomen dat deze tijdens de zomermaanden dreigt droog te vallen of doordat door te grote hoeveelheden rottend blad de waterkwaliteit nadelig wordt beïnvloed.
Het verdient de voorkeur (zeker bij geïsoleerde poelen) niet de gehele poel van vegetatie en sliblaag te ontdoen. Men doet er beter aan om bij de schoningswerkzaamheden naar één kant toe te werken. De poel wordt dan als het ware over een kleine afstand verplaatst. Bij een volgende onderhoudsbeurt kan deze verplaatsing weer teniet gedaan worden. Verplaatsingen in de richting oost-west genieten de voorkeur. Er blijft dan steeds een deel van de noordelijke oever ongeschonden. Amfibieën zetten hun eieren bij voorkeur af tussen planten. De noordelijke oever is de warmste oever en heeft daarom de voorkeur omdat de eieren zich sneller ontwikkelen.
Uit: Aanleg en onderhoud van poelen voor amfibieën, Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland, Nijmegen, zonder jaartal.

3. HET ZONNEVELD besluit om een paddenpoel aan te leggen
In 1998 besluit HET ZONNEVELD om de geadviseerde paddenpoel daadwerkelijk te gaan aanleggen. Zij stelt hiervoor een tuin ter beschikking, die pal langs de sloot op het complex is gelegen. De kwekerij De Zijl Bedrijven stelt apparatuur en mankracht voor het graafwerk ter beschikking.

Start van het project Al een eind gevorderd
De bodem bestaat ook uit vette klei Het graven is gebeurd. Nu de rest nog


In en rond de poel zijn water- en moerasplanten ingebracht o.a. afkomstig uit de Leidse Hortus Botanicus en uit het nabijgelegen heempark. Ook zijn bloemen ingezaaid, zoals de bolderik. Mede hierdoor biedt de paddenpoel een goede voortplantingsplaats voor de groene kikker, de bruine kikker, de gewone pad en de kleine watersalamander.

4. HET ZONNEVELD krijgt het keurmerk Natuurlijk Tuinieren
Op woensdag 13 oktober 1999 wordt in de Oegstgeester Courant bericht over de toekenning van het Nationaal Keurmerk Natuurlijk Tuinieren aan Het Zonneveld. Op die dag komt wethouder en loco-burgemeester Tjeerd van Rij naar Het Zonneveld om het schild met het lieveheersbeestje met de drie stippen te onthullen. Loco van Rij: Het project is breed opgezet en over het gehele terrein gespreid. Het betreft het graven van een paddenpoel, de plaatsing van een uilenkast, een plaats voor solitaire bijen, enz. Het Zonneveld heeft met deze projecten zo’n 64% bereikt van het totaal aantal punten dat aan natuurlijk tuinieren op een complex kan worden toegekend. Een van de medewerkers van het AVVN voegt daar nog aan toe dat volkstuinen niet meer zoals vroeger zijn, namelijk ‘eten op tafel’ en later een buitenhuisje, maar ze zijn er voor de stad. Natuurlijke elementen in een stad zijn uitermate belangrijk. Vervreemding van de natuur dient te worden tegengegaan. Door haar worden vervolgens de rapporten en een enveloppe met inhoud aan de voorzitter van Het Zonneveld overhandigd. De voorzitter van de Leidse Bond van Amateurtuinders merkt nog op dat het ‘allemaal heel soepel is verlopen’. Hij feliciteert Het Zonneveld met het behaalde resultaat. Ook Geert van Poelgeest (KNNV) doet dat. Hij vindt Het Zonneveld een oertuincomplex. Hij heeft er dia’s van gemaakt, die hij in het hele land laat zien. Tot slot bedankt hij allen, die de kar getrokken hebben.

Persbericht: Het Zonneveld is een paddenpoel rijker

In de politiek wordt steeds meer gesproken over ecologische verbindingszones. Dat zijn gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het Zonneveld ligt op de grens van Leiden en Oegstgeest, tussen het Bos van Endegeest en het Bos van Bosman. Het Zonneveld is zodoende een zeer geschikt doorgangsgebied en helpt mee de natuur van Leiden met die van Oegstgeest te verbinden. Er zijn door de commissie Flora en Fauna al vele tientallen vogelsoorten waargenomen, waaronder de havik, sperwer en bosuil. Op een naast het complex gelegen pestbosje is een uilenkast opgehangen.

Om de natuurwaarde van het tuincomplex verder te verhogen is door de nauw met de commissie Flora en Fauna samenwerkende werkgroep Natuurlijk Tuinieren een paddenpoel gegraven. De voorzitter van het Zonneveld: “”Hoewel het een eenvoudig project lijkt, vergt het toch de inzet van veel mensen. Zo heeft de naast ons gelegen kwekerij De Zijl Bedrijven apparatuur beschikbaar gesteld voor het graven. Een aantal enthousiaste leden is bezig geweest de paddenpoel af te maken.” De paddenpoel is aangelegd op een door de vereniging buiten gebruik gestelde tuin. Hij meet met bijbehorende grond circa 75 m2. De uitgegraven grond is gebruikt om een natuurlijk talud te vormen. Deze is ingezaaid met zaden van weidebloemen. Rondom en in de paddenpoel zijn water- en moerasplanten ingebracht.

Al deze initiatieven zijn onderdeel van het streven van de vereniging het Nationaal Keurmerk Natuurlijk Tuinieren van het AVVN te behalen.



In het eindadvies van het AVVN (1999) wordt nog expliciet gewezen op de aangelegde paddenpoel, die er prima uitziet. “En de tijd doet de rest! Complimenten”; is er aan toegevoegd.

5. Winter 2000
En nu maar kijken of de groene kikker, de bruine kikker, de gewone pad en de kleine watersalamander hun weg naar de paddenpoel op Het Zonneveld hebben kunnen vinden.

Eitjes van de gewone pad Winter 2000


6. Het onderhoud van de paddenpoel vraagt de nodige aandacht
Een bericht uit 2004 meldt dat gedurende een aantal maanden alleen het hoognodige onderhoud gepleegd is aan het terrein van de paddenpoel, d.w.z. de vijver is geschoond van waterplanten, de heg is geknipt en de begroeiing is verder zoveel mogelijk met rust gelaten. Wel zijn woekeronkruiden zo her en der verwijderd. Ook is de sloot geschoond en zijn de wilgen gesnoeid. Het terrein moet nog voor een groot gedeelte gemaaid worden. Dhr. Graveland heeft hiervoor zijn hulp toegezegd.
Het jaarlijkse onderhoud aan het terrein houdt onder meer in:
→ in het voorjaar en het najaar maaien
→ de vijver openhouden van waterplanten
→ de heg bijhouden en onder de heg wieden
→ breed uitgroeiende planten zoals groot hoefblad, gele klaver, lis, guldenroede, wilgenroosje, biezen, waar nodig uitdunnen of afknippen
→ onkruid zoals braam, brandnetel, heermoes, liesgras, zevenblad, winde en akkerdistel verwijderen
→ bomen snoeien
→ de takkenril bijhouden
→ de slootkant schoonhouden.
Dit alles dient met zorg te gebeuren, zodat de grond zo min mogelijk wordt verstoord en dezelfde paadjes belopen worden.
De afgelopen jaren is echter gebleken dat het aantal deelnemers aan de werkgroep Paddenpoel gereduceerd is tot een handjevol mensen, waarbij de opkomst op de werkdagen eigenlijk te klein is om nog van een werkgroep te spreken. Aanvullend probleem is het afvoeren van al het afval. Voor dit laatste dient een oplossing gevonden te worden; composteren op het terrein zelf is geen optie omdat de composthoog dan ‘ongemerkt’ te groot wordt.

Dick Graveland en Adri Krol Het afvoeren van al het afval


6. Ook op werk-zaterdagen gaan tijd en mankracht naar de paddenpoel
Sinds een aantal jaren wordt twee maal per jaar een zogenaamde tuin-werk-middag georganiseerd. Alle leden zijn verplicht daar één keer in de twee jaar aan mee te doen. Het gaat dan om klussen als het onkruidvrij maken van de drainagepaden, het schoonmaken van de greppel, het schilderen en/of onkruidvrij maken van het terrein rondom de vier banken, het schilderen / schoonmaken van het verenigingsgebouwtje én het onderhoud van de paddenpoel.

April 2008: 6 leden zijn met het onderhoud van de poel bezig April 2008: Ben van Abswoude, Jeannette Matze, Frans Uijlenbroek en Gooke Lagaay
2011: Onni MacKenzie vol aandacht voor het behoud van de natuurwaarde April 2011: ook dit keer zijn er 6 leden met het onderhoud bezig.


Daarnaast zijn er soms klussen te doen als het weer in orde maken van opgezegde tuinen, die met (te)veel achterstallig onderhoud zijn achtergelaten. Of, zoals dat in het voorjaar 2011 is gebeurd, het verkruien van opvulzand om die achter de gerenoveerde beschoeiing aan te brengen. Zo’n middag is tegelijkertijd een moment van elkaar weer ontmoeten. Op die middagen verzorgt Caroline Hudig op een bijzondere manier de catering. En dat wordt door alle deelnemers op prijs gesteld.

2010: de catering …

2011: loopt gesmeerd ….

2011: op zo’n topdag in september!



2011: de paddenpoel wordt steeds kleiner 2011: het aantal bijzondere planten neemt af

7. De paddenpoel in 2012
Eind 2011 blijkt dat vooral het gras op een groot gedeelte van het terrein van de paddenpoel de aanwezige planten lijkt te gaan verdringen. Annemarie Klijnsmit (coördinator Paddenpoel) stelt voor om de komende tijd vooral aandacht te besteden aan het terugdringen van het gras. Dat houdt in dat de grond op het terrein van de paddenpoel verschraald moet worden. En daar is op zaterdag 14 april 2012 een start mee gemaakt.

Start van het project

De bovenlaag wordt eraf gehaald

De plaggen gras worden afgevoerd

naar de tuin van Adri Krol

Een deel van de paddenpoel

Is nog een kale boel …